Onafhankelijk kennisplatform voor vetafscheidersGratis capaciteitsberekeningBel 06 2000 61 71
Kennisbank

Begrippenlijst vetafscheiders

De vaktaal rond de vetput in gewone woorden uitgelegd. Van emulsie en dichtheid tot T-stuk, sifon en b.o.b., met voorbeelden waar het helpt.

Een vetafscheider werkt op zwaartekracht: vet en olie drijven omhoog, zware etensresten zakken naar de bodem, en alleen het schone water in het midden loopt door naar het riool. De vaktermen hieronder beschrijven dat scheidingsproces, de onderdelen van de put, de materialen en de norm NEN-EN 1825. Zoek op een woord of blader per thema.

96 termen

Namen & typen

Vetafscheiderofficiële naam

De officiële benaming voor het toestel dat vet en olie uit het afvalwater haalt voordat het water het riool in gaat. In de praktijk hoor je net zo vaak vetput, vetvangput of vetvanger.

Vetput / vetvangputsynoniem

De meest gebruikte spreektaal voor de vetafscheider. Meestal een ingegraven bak van beton of kunststof buiten het pand.

Vetvangersynoniem

Vaak gebruikt voor kleinere systemen, bijvoorbeeld een compact toestel direct onder of naast de gootsteen in een kleine keuken.

Olie- en vetafscheideroverkoepelend

Verzamelnaam voor een systeem dat naast keukenvet ook minerale olie kan opvangen. Let op: voor keukenvet en voor minerale olie gelden verschillende normen en verschillende toestellen.

Olieafscheiderander toestel

Een apart type afscheider voor minerale oliën en benzine, bijvoorbeeld bij een garage of wasplaats. Werkt volgens de norm NEN-EN 858, niet 1825. Dus niet hetzelfde als een vetafscheider voor de keuken.

Coalescentieafscheideralleen bij olieafscheiders

Een olieafscheider met een filter dat heel fijne minerale-oliedruppeltjes laat samensmelten tot grotere druppels die alsnog opdrijven. Let op: dit hoort niet in een vetafscheider. Plantaardig en dierlijk vet zou zo'n filter verstoppen en erop stollen. Coalescentie werkt alleen bij minerale oliën, want die stollen niet.

Voorbeeld: Coalescentie betekent letterlijk samensmelten, zoals regendruppels die op een ruit samenlopen tot één grote druppel. Dat lukt met dunne minerale olie, niet met stollend keukenvet.

Emulsiesplitseremulsiebreker

Een installatie die een stabiele emulsie van olie of vet in water 'breekt', zodat het vet alsnog opdrijft en afscheidbaar wordt. Nodig bij industrieel afvalwater, want een gewone vetafscheider krijgt geëmulgeerd vet niet gescheiden.

Voorbeeld: Een gewone vetafscheider laat geëmulgeerd vet doorlopen. Een emulsiesplitser breekt die emulsie eerst, waarna het vet wel bovenkomt.

KWS-afscheiderkoolwaterstofafscheider

Een olieafscheider voor minerale oliën, brandstoffen en koolwaterstoffen (KWS), bijvoorbeeld bij een garage of tankstation. Valt onder NEN-EN 858, niet onder de vetafscheidernorm.

Zetmeelafscheiderverwant type

Een afscheider voor zetmeelhoudend afvalwater, bijvoorbeeld bij aardappelverwerking. Verwant aan de vetafscheider maar met een eigen werking en toepassing.

Bypass-afscheidermet omloop

Een afscheider met een omloopleiding die bij een hoge piek een deel van het water omleidt, zodat het scheidingsgedeelte niet overbelast raakt. Komt vooral voor bij olieafscheiders.

Flocculatieafscheidermet vlokvorming

Een afscheidertype dat vet met chemische vlokvorming laat samenklonteren en afscheiden. Wijkt af van het zuivere zwaartekrachtprincipe en kent eigen regels in de norm.

Integrale uitvoeringalles in één

Een put waarin de slibvang en het eigenlijke afscheidingsgedeelte in één unit zitten, in plaats van twee losse putten achter elkaar.

Mobiele vetafscheiderverrijdbaar

Een verplaatsbare, tijdelijk op te stellen vetafscheider voor bijvoorbeeld foodtrucks of evenementen. Wordt meestal met de hand geleegd.

Werking & scheiding

Zwaartekrachtscheidinghet principe

Het hele idee achter de put. Er wordt niets gepompt of gefilterd in de basis: het water komt tot rust, en het verschil in gewicht doet het werk. Licht vet stijgt, zwaar slib zakt.

Dichtheid (massadichtheid)kg/m³ of g/cm³

Hoe zwaar een stof is per volume. Water heeft een dichtheid van ongeveer 1,00 g/cm³ (1000 kg/m³). Vet en plantaardige olie zijn lichter, rond 0,90 tot 0,94 g/cm³, en drijven daarom bovenop het water.

Voorbeeld: Dat een laagje olie op water blijft liggen, komt puur door dit verschil in dichtheid.

Dichtheid te hoogscheidt slechter

Hoe dichter het vet in gewicht bij water komt, hoe trager en slechter het opdrijft. Ligt de dichtheid boven 0,94 g/cm³, dan houdt de norm daar rekening mee met een zwaardere berekening en dus een grotere put (de dichtheidsfactor gaat van 1,0 naar 1,5).

Dichtheid te laagscheidt goed

Ligt de dichtheid van het vet ruim onder die van water, dan drijft het vlot en makkelijk boven. Dat is juist gunstig voor de scheiding en vraagt geen extra correctie in de berekening.

Emulsievet blijft zweven

Een mengsel van twee vloeistoffen die eigenlijk niet mengen, zoals olie en water, waarbij de olie in piepkleine druppeltjes fijn door het water verdeeld raakt. Die druppels zijn zo klein dat ze niet meer opdrijven, en dat is de grootste vijand van een vetafscheider: het vet blijft zweven en spoelt zo mee het riool in.

Voorbeeld: Melk en mayonaise zijn stabiele emulsies. In de keuken ontstaat een emulsie zodra heet water en afwasmiddel het vet fijn opkloppen.

Emulgerenemulsie maken

Het proces waarbij een emulsie ontstaat: vet wordt in fijne druppeltjes door water verspreid. Hitte, krachtig roeren of afwasmiddel versnellen dit. In een vetafscheider wil je dit juist voorkomen.

Emulgerendeigenschap

Een stof of situatie die emulsievorming bevordert. Afwasmiddel en zeep werken sterk emulgerend, want ze zijn gemaakt om vet los te weken en in het water op te nemen.

Voorbeeld: Precies waarom afwasmiddel zo goed schoonmaakt (het pakt vet), werkt het tegen je vetafscheider: het houdt het vet in het water in plaats van erboven.

Emulgatortenside

De stof die een emulsie stabiel houdt door zich rond de vetdruppels te hechten, zodat ze niet meer samenklonteren en opdrijven. Zeep en afwasmiddel bevatten zulke stoffen, ook wel tensides genoemd.

Viscositeitstroperigheid

Hoe dik of stroperig een vloeistof is. Koud vet is stroperig tot vast, warm vet is dun en vloeibaar. Hoe kouder en dikker, hoe sneller het vet stolt en zich afzet.

Stollen / stolpuntvet wordt vast

Vet dat afkoelt verandert van vloeibaar naar vast. In het riool gebeurt dat in koud water, en daar ontstaan de hardnekkige verstoppingen. In de put is dat stollen juist nuttig: de vetlaag bovenop wordt dik en makkelijk af te zuigen.

Drijflaag / vetlaagbovenin

De laag vet en olie die zich bovenop het water in de put verzamelt en daar stolt. Deze laag mag niet te dik worden, anders neemt de opvangruimte af en werkt de put slechter.

Slibonderin

De zware deeltjes zoals etensresten, zand en gruis die naar de bodem zakken. Samen vormen ze het slib dat periodiek verwijderd moet worden.

Verblijftijd / retentietijd in de put

Hoe lang het water in de put blijft voordat het doorloopt. Hoe langer het water tot rust komt, hoe beter vet en slib de tijd krijgen om te scheiden. Een te kleine put geeft te weinig verblijftijd.

Flotatieopdrijven

Het opdrijven van vet en olie naar het wateroppervlak omdat ze lichter zijn dan water. Dit is het natuurkundige principe waarop de scheiding in de put berust.

Rustniveauwaterstand

De waterstand in de put, ter hoogte van de uitlaat. Op dit niveau komt het water tot rust en krijgen vet en slib de tijd om te scheiden. De put wordt na reiniging tot dit niveau met schoon water gevuld.

Overloop / doorslagvet spoelt mee

Als het waterniveau te hoog komt, bijvoorbeeld door verstopping of te veel water tegelijk, kan de drijvende vetlaag over het T-stuk in de uitlaat stromen en zo alsnog het riool bereiken. Dan is meteen inspectie nodig.

Onderdelen van de put

Inlaatinstroom

De buis waardoor het warme, vette spoelwater de put binnenkomt. De stroom wordt hier meteen afgeremd zodat het water kan gaan scheiden.

Uitlaatuitstroom

De buis waardoor het gescheiden, schone water de put verlaat op weg naar het gemeentelijke riool.

Slibvangputvoorbezinking

Het compartiment of de bodemruimte waar het zware slib bezinkt voordat het water verder scheidt. Volgens de norm is deze ruimte een veelvoud van de nominale grootte, vaak 100 of 200 keer NS, afhankelijk van het soort bedrijf.

Keerschot / schotscheidingswand

Rechtopstaande wanden in de put die de waterstroom afremmen en sturen. Ze zorgen dat de vetlaag netjes aan de oppervlakte blijft en niet meespoelt naar de uitlaat.

T-stuk / duikschotbij de uitlaat

Een gebogen of naar beneden gerichte buis bij de uitlaat die het water van onder de vetlaag vandaan haalt, uit het schone midden van de put. Zo komt er geen drijvend vet in de uitgaande stroom.

Voorbeeld: Het T-stuk 'duikt' onder de vetlaag door en tapt alleen het schone water eronder af.

Controleschacht / monsternamevoorzieningcontrolepunt

Een klein putje vlak na de afscheider waar een inspecteur van gemeente of waterschap een watermonster kan nemen om te controleren of de put goed werkt.

b.o.b.binnenzijde onderkant buis

Een peilmaat uit de rioleringstechniek: de hoogte van de binnenkant van de onderkant van een buis. Op tekeningen bepaalt de b.o.b. het verval en of het water op afschot goed kan wegstromen.

Voorbeeld: Twee buizen op de juiste b.o.b. laten het water vanzelf de goede kant op lopen, zonder pomp.

Afschothelling

De lichte helling die een afvoerleiding moet hebben zodat het water door de zwaartekracht wegloopt. Te weinig afschot geeft stilstand en aanslag, te veel afschot laat water te snel weglopen en het vaste materiaal achter.

T1 en T2aansluithoogtes

Inbouwmaten van de put, uitgedrukt als b.o.b.-maat vanaf de bovenkant van het deksel (het straatwerk). T1 is die maat aan de inlaatzijde, T2 aan de uitlaatzijde richting het riool. Samen bepalen ze op welke diepte de leidingen aansluiten en of het water op afschot wegloopt.

Voorbeeld: Ken je T1 en T2, dan weet de installateur precies hoe diep de put moet en of de inlaat hoger ligt dan de uitlaat.

Sifonzwanenhals, stankafsluiter

Een gebogen stuk in de afvoer waarin altijd een laagje water blijft staan. Dat waterslot houdt rioollucht en stank tegen terwijl het afvalwater er wel doorheen loopt. Zit onder gootstenen en op afvoeren richting de put.

Voorbeeld: Droogt het water in de sifon uit doordat een afvoer lang niet gebruikt wordt, dan valt de stankafsluiting weg en komt de geur vrij.

Ontluchting / ontluchtingsleidingbeluchting

Een standleiding die de put belucht, meestal doorgevoerd tot boven het dak. Zo ontstaat er geen onderdruk die water uit de sifons zuigt, en kunnen gassen en geur ontsnappen zonder overlast binnen.

Ontstoppingsstukreinigingsopening

Een afsluitbare opening in de toe- of afvoerleiding waardoor je bij een verstopping makkelijk kunt reinigen zonder de leiding open te breken.

Terugslagklepéén richting

Een klep die het water maar één kant op laat stromen. Zo kan er geen rioolwater terug de put of de keuken in lopen, bijvoorbeeld bij opstuwing in het riool.

Niveaualarm / vetlaagalarmvulmelder

Een sensor die waarschuwt zodra de vetlaag of het waterniveau een grens bereikt, als seintje dat legen nodig is. Dat kan met een laagdiktesensor, een geleidbaarheidssensor (vet geleidt nauwelijks stroom, water wel) of een vlotter.

Aansluitspie en aansluitstompin- en uitlaat

De voorgevormde aansluitmonden van de in- en uitlaat waarop de leidingen worden gekoppeld. De inlaatspie en uitlaatspie zijn met 'IN' en 'UIT' gemarkeerd, zodat de stroomrichting klopt.

Kneveldekselvergrendeld deksel

Een deksel dat met knevels of grendels stevig wordt vastgezet, zodat de put dicht en veilig blijft en niet zomaar geopend kan worden.

Schroefdeksel / inspectiedekselinspectie

Een schroefbaar deksel boven de uitlaat waardoor je kunt inspecteren en het T-stuk kunt bereiken, zonder de hele put te openen.

Typeplaatjeproductgegevens

Het plaatje op de put met de belangrijkste gegevens zoals nominale grootte en de maximale slib- en vetlaag. Vaak staat er een QR-code op naar de online informatie van juist die afscheider.

Vrij vervalzonder pomp

Aansluiten waarbij het water puur op afschot naar de put stroomt, zonder pomp. Dit is de voorkeur, want pompen klopt het vet fijn tot een emulsie en verstoort de scheiding.

Voorbeeld: Kan het water niet vanzelf weg, dan is een pompput nodig. Die zit dan bewust ná de afscheider, niet ervoor.

Pompput / opvoerinstallatieals vrij verval niet kan

Een put met pomp die het water omhoog brengt wanneer het niet vanzelf op afschot kan wegstromen. Voor de scheiding wordt die bij voorkeur ná de vetafscheider geplaatst, om emulgeren te voorkomen.

Materiaal & uitvoering

HDPEkunststof, PE100

Hogedichtheid-polyetheen, een licht en corrosievrij kunststof waar veel afscheiders van gemaakt zijn. Roest niet, is glad en dus goed schoon te maken, en gaat lang mee.

RVSroestvast staal

Sterk, hittebestendig en goed te reinigen metaal, vaak gebruikt voor compacte afscheiders die binnen worden opgesteld.

Betonzwaar en duurzaam

Zwaar, zeer duurzaam materiaal dat stabiel in de grond ligt. Geschikt voor grote ondergrondse putten, ook onder zware verkeersbelasting.

Coating / liningbinnenbescherming

Een beschermlaag aan de binnenkant van een betonnen put, bijvoorbeeld epoxy of een kunststof voering. Die beschermt het beton tegen aantasting door de zure afbraakproducten van vet.

Ondergronds en bovengrondsopstelling

De twee manieren van plaatsen. Ondergronds betekent ingegraven buiten, bovengronds betekent vrij opgesteld in een ruimte zoals een kelder of bijkeuken. De keuze bepaalt materiaal, deksel en aansluiting.

Vorstvrij opstellentegen bevriezen

De put en leidingen op een diepte of plek houden waar het stilstaande water niet kan bevriezen, zodat de werking in de winter niet vastloopt.

Opdrijfbeveiligingverankering

Een verankering die voorkomt dat een lege put bij hoog grondwater omhoog gedrukt wordt. Vaak met uitstekende staven waarmee de put aan een betonplaat wordt vastgezet.

Belastingsklasse dekselA15 / B125 / D400

De klasse die aangeeft hoeveel gewicht een deksel kan dragen, volgens NEN-EN 124. De keuze hangt af van wat er overheen gaat.

Voorbeeld: A15 voor een terras of voetpad, B125 voor personenauto's, D400 voor zwaar vrachtverkeer.

Opzetstuk / schachtopbouwhoogte aanpassen

Een verhogingselement waarmee de deksel op de hoogte van het maaiveld of de vloer wordt gebracht. Soms telescopisch of inkortbaar om precies passend te maken.

Reukdichte dekselstankdicht

Een op rubber afgedicht of vastgeschroefd deksel dat geen stank doorlaat. Belangrijk bij binnen- of bovengrondse opstelling.

Berekening & norm

NEN-EN 1825de norm

De Europese norm voor vetafscheiders, in twee delen. Deel 2 gebruikt de beheerder om de benodigde capaciteit voor zijn situatie te berekenen. Deel 1 toetst vervolgens of de gekozen afscheider capaciteit-technisch ook echt aan de norm voldoet. Een gecertificeerde put draagt CE-markering met een prestatieverklaring.

NEN-EN 858norm olieafscheiders

De norm voor olieafscheiders (minerale olie en benzine), dus een andere norm dan die voor keukenvet. Belangrijk om niet te verwarren: keukenvet valt onder 1825, minerale olie onder 858.

Nominale grootte (NS)NG, in l/s

De maat waarin een vetafscheider wordt uitgedrukt: de doorstroomcapaciteit in liter per seconde. Een NS 4 verwerkt bijvoorbeeld tot 4 liter afvalwater per seconde. De uitkomst van de berekening wordt naar boven afgerond op een standaardmaat.

Minimale capaciteit 2 l/sdimensioneringsbasis

De norm rekent de basisdimensies van een vetafscheider uit vanaf minimaal 2 l/s (deel 1, paragraaf 5.5.3). Volgens die basis zijn capaciteiten kleiner dan 2 l/s alleen normconform als het ontwerp apart is getest en voorzien van een prestatieverklaring. Zonder die test geldt 2 l/s praktisch als ondergrens.

Dimensies per l/smaatvoering norm

Per liter per seconde capaciteit houdt de norm vaste maten aan: ongeveer 0,25 m² oppervlak van het afscheidingsgedeelte, 0,24 m³ inhoud onder de maximale vetlaag, 0,04 m³ voor de vetopslag zelf, en 0,10 m³ slibvang in normale situaties (0,20 m³ bij zware situaties zoals slachterijen).

Voorbeeld: Een afscheider van 4 l/s heeft in deze rekenwijze dus grofweg 1 m² oppervlak en bijna 1 m³ scheidingsinhoud nodig.

Qs (piekdebiet)afvoerpiek

De maximale hoeveelheid afvalwater per seconde die tegelijk kan wegstromen, opgeteld uit alle keukenapparaten en tappunten. Dit is het startpunt van de capaciteitsberekening.

CapaciteitsberekeningNS = Qs × ft × fd × fr

De formule die de juiste maat bepaalt. Het piekdebiet Qs wordt vermenigvuldigd met drie correctiefactoren voor temperatuur, dichtheid en reinigingsmiddelen. De uitkomst wordt naar boven afgerond op een standaardmaat.

Voorbeeld: Meer heet water, zwaarder vet of veel afwasmiddel: elk maakt de scheiding lastiger en dus de benodigde put groter.

Temperatuurfactor (ft)1,0 of 1,3

De correctie voor de temperatuur van het inkomende water. Tot 60 °C is ft 1,0. Komt het water soms of altijd boven 60 °C, dan wordt ft 1,3, want warm water houdt vet vloeibaar en opgelost en dat scheidt slechter.

Dichtheidsfactor (fd)1,0 of 1,5

De correctie voor het soort vet. Bij een dichtheid tot 0,94 g/cm³ is fd 1,0. Is het vet zwaarder dan 0,94 g/cm³, dan wordt fd 1,5, omdat zwaarder vet moeizamer opdrijft.

Reinigingsmiddelfactor (fr)1,0 tot 1,5

De correctie voor het gebruik van schoonmaakmiddelen. Zonder reinigingsmiddelen is fr 1,0. Bij regelmatig tot veel gebruik wordt fr 1,3, en in bijzondere situaties zoals ziekenhuizen kan fr oplopen tot 1,5. Reden: afwasmiddel werkt emulgerend en verstoort de scheiding.

CE-markering / DoPprestatieverklaring

Het bewijs dat de afscheider volgens de norm is getest en aan de eisen voldoet. DoP staat voor Declaration of Performance, ook wel rendementsattest genoemd. Die verklaring wordt bevestigd door een Europees geaccrediteerde instelling.

Effluent en influentin en uit

Influent is het water dat de afscheider in stroomt, effluent is het water dat er weer uit komt. Bij de testroute van de norm mag de gemeten restwaarde vet in het geteste water de genoemde grens van 25 mg/l niet overschrijden. Zo bewijst een fabrikant dat de scheiding voldoende is.

Q, Z en Nrekenwaarden

De bouwstenen van het piekdebiet: Q is de afvoer per toestel in liter per seconde, Z is het aantal toestellen, en N is de gelijktijdigheidsfactor. Samen vormen ze Qs, het rekendebiet.

Gelijktijdigheidsfactor (N)niet alles tegelijk

Een correctie omdat zelden alle keukenapparaten tegelijk afvoeren. Hoe meer toestellen, hoe lager de factor: van rond 0,45 bij één toestel tot ongeveer 0,20 bij vijf of meer.

Maaltijdenmethodealternatieve berekening

Een andere rekenroute voor de capaciteit, op basis van het aantal maaltijden per dag, water per maaltijd, een piekfactor en het aantal bereidingsuren, in plaats van een gemeten debiet.

Maatgevend debietde piek

De hoeveelheid vethoudend water die op het drukste moment door de afscheider stroomt, in liter per seconde. Dit is de bepalende invoerwaarde voor de maat. Een ander woord voor de piekbelasting.

Dichtheidstabelwelk vet drijft

Een overzicht met de dichtheid van verschillende vetten en oliën. Daarmee bepaal je of een stof afscheidbaar is, want alleen vet dat lichter is dan ongeveer 0,94 g/cm³ drijft goed op.

Restoliegehalte / rendementhoe schoon eruit

Hoeveel vet er nog in het uitgaande water zit. Bij de testroute van de norm mag dat de grens van 25 mg per liter niet overschrijden. Hoe lager, hoe beter de afscheider presteert.

NEN-EN 124norm deksels

De norm voor de sterkte van deksels en afdekkingen. Die drukt de draagkracht uit in klassen zoals A15, B125 en D400, passend bij de verkeerssituatie erboven.

NEN 7087oude norm

De oude Nederlandse norm voor vetafscheiders van vóór 2006, de voorloper van NEN-EN 1825. Rekende de capaciteit op een andere manier uit.

KOMO-keurkwaliteitskeurmerk

Een Nederlands kwaliteitskeurmerk dat, naast de CE-markering, aantoont dat een product of onderdeel aan de gestelde eisen voldoet.

Onderhoud & regels

Legen / zuigenonderhoud

Het periodiek leegzuigen van de put. De vetlaag en het slib worden afgevoerd door een erkend bedrijf en mogen niet zomaar het riool in. Volgens NEN-EN 1825-2 gebeurt dit vaak elke twee weken, en minimaal één keer per maand.

Vullingsgraadwanneer legen

De mate waarin de put vol raakt. Als richtlijn geldt dat het slib niet meer dan de helft van de slibruimte mag vullen en de vetlaag niet te dik mag worden, anders daalt de werking en moet er geleegd worden.

Voedselrestenvermalervoedselvermaler

Een apparaat onder de gootsteen dat etensresten vermaalt en met water wegspoelt. Voor een vetafscheider is dit ongewenst: het stort juist veel organisch materiaal het systeem in, dat de put zwaar belast en verstoppingen voedt.

Voorbeeld: Het is in Nederland verboden om afvalwater met vermalen voedselresten op het gewone vuilwaterriool te lozen. De voorkeur is etensresten via het gft af te voeren.

Maximale lozingstemperatuurwarm water

Te heet water dat de put in stroomt houdt het vet vloeibaar, zodat het niet opdrijft maar doorspoelt. Daarom wordt gestuurd op koeler inkomend water. Boven 60 °C rekent de norm met een zwaardere temperatuurfactor.

Erkende inzamelaarafvoer

Een bedrijf met vergunning om het opgezogen vet en slib op te halen en verwerken. Het afgevoerde vet is een reststroom die vaak wordt hergebruikt, bijvoorbeeld richting biobrandstof.

Ledigingsfrequentiehoe vaak legen

Hoe vaak de put geleegd moet worden. De norm noemt vaak elke twee weken en minimaal maandelijks, maar de precieze frequentie hangt af van hoe snel de put in de praktijk vol raakt.

Zuigwagen / kolkenzuigerleegzuigen

De vrachtwagen met vacuümpomp waarmee een gespecialiseerd bedrijf het vet en slib uit de put zuigt. Soms via een vaste zuigleiding, zodat de wagen op afstand kan aansluiten.

Bedrijfslogboekregistratie

Het logboek waarin elke leging, reiniging en inspectie wordt bijgehouden. Nodig om bij controle aan te tonen dat het onderhoud op orde is.

Geleidebon / afvalbonbewijs van afvoer

Het bewijs dat het opgezogen vet en slib is opgehaald en verwerkt door een erkend bedrijf. Vaak enkele jaren te bewaren voor controle.

Bemonsteringwatermonster

Het nemen van een monster van het uitgaande water om te controleren of de put voldoende scheidt. Gebeurt bij de controleschacht na de afscheider.

Algemene inspectievijfjaarlijkse keuring

Een grondige controle van de put op dichtheid, beschadigingen en de werking van de onderdelen. Gebeurt bij ingebruikname en daarna periodiek, vaak elke vijf jaar.

Omgevingsdiensttoezicht

De instantie die namens de overheid controleert en handhaaft op bedrijfsmatige lozingen, en beoordeelt of de vetafscheider en het onderhoud in orde zijn.

Bedrijfsafval (Euralcode)afvalclassificatie

Het opgevangen vet en slib is wettelijk bedrijfsafval met een eigen Euralcode. Daardoor gelden er regels voor inzameling, afvoer en administratie.

Vuilwaterrioolhet gewone riool

Het afvalwaterriool dat op zwaartekracht werkt. Het is niet gemaakt om extra vet en vermalen etensresten te verwerken, vandaar de vetafscheider ervoor.

Biologisch afbreekbaar reinigingsmiddeljuiste schoonmaak

Een reinigingsmiddel dat snel afbreekt en geen sterke emulsies vormt. Voorkeur voor de put, want emulgerende middelen en hoge doseringen verstoren de scheiding.

Schachtbetredingbesloten ruimte

Het afdalen in de put, alleen in uitzonderlijke gevallen en met strikte veiligheidsmaatregelen. Binnenin zitten gevaarlijke gassen en zijn de wanden spekglad.

Verder lezen

Uw eigen situatie doorrekenen?

Wij rekenen onafhankelijk volgens NEN-EN 1825 en verbinden u met de juiste partij.